top of page
  • @tijnsadee

2022 was een slecht jaar voor het vrije woord in Belgrado en Boedapest: ‘De muren komen op ons af’

In de Europese autocratieën Servië en Hongarije zijn de meeste media in handen van regeringsgezinde ondernemers. Journalisten worden er geïntimideerd. Kunnen schrijvers en dichters nog tegenwicht bieden? Op zoek naar het vrije woord in Belgrado en Boedapest.


door Tijn Sadée


Tijdens onze eerste ontmoeting in Belgrado, in 2008, bleef de ober aan één stuk door straffe koffie serveren. De asbak was halverwege het interview vol. “Servië is een schizofrene, gehersenspoelde samenleving”, zei schrijver Vladimir Arsenijević.


Hij was in die dagen permanent opgefokt en, vooral, een onverschrokken politiek columnist. Met zijn roman De Sterfmaand, over twee jonge geliefden in Belgrado tijdens de verwoestende Joegoslavische oorlogen, was hij internationaal doorgebroken. Sindsdien werden zijn columns gevreesd door zijn vijanden – de ultranationalisten die na de val in 2000 van oorlogspresident Milošević de Servische politiek weer domineerden. Arsenijević, toen: “De Europese Unie dacht dat Servië vanzelf wel pro-Westers zou worden. Men heeft zich vergist. Zelfs de Servische jeugd is enorm conservatief, religieus en nationalistisch. Die bereik je het best met het zaaien van haat.”


Nu, veertien jaar later, zit Arsenijević (57) ontspannen aan een tuintafel op een binnenplaats in het centrum van de Servische hoofdstad. Af en toe geeft hij zachtjes een zetje tegen de kinderwagen waarin zijn dochter Nora slaapt. Als twintiger speelde hij in de Joegoslavische punkband Urbana Gerila. Nog altijd is Arsenijević een spil in de Servische literatuur, maar meer op de achtergrond, als directeur van cultuurcentrum Krokodil. “Jij was destijds niet de enige journalist die mij opzocht met de vraag hoe het verder moest met Servië. Nu denk ik: weet ík veel?!”



Schrijver Vladimir Arsenijević

De wallen onder zijn ogen komen niet alleen door zijn dochter die hem nog geregeld korte nachten bezorgt. Arsenijević heeft de avond voor ons gesprek de aftrap gegeven van ‘zijn’ Krokodil-literair festival dat elke zomer op verschillende locaties in Belgrado wordt gehouden. Het zijn hectische dagen, waarin Arsenijević tegelijk spreekstalmeester en eindverantwoordelijke is. Het festival trekt een klein publiek van ons-kent-ons: de progressieve, hoofdstedelijke bubbel die fel gekant is tegen de regerende partij van president Aleksandar Vučić, ooit begonnen als jonge minister van Informatie onder wijlen dictator Milošević.




Vučić, die in april dit jaar werd herkozen als president, bouwt naar het voorbeeld van de Hongaarse premier Viktor Orbán gestaag aan een autocratie waarin regeringsgezinde ondernemers de media grotendeels in handen hebben. De Hongaarse en Servische ‘sterke mannen’ voelen zich geestverwanten: net als Orbán onderhoudt Vučić warme banden met Poetin; net als Orbán speelt Vučić dubbelspel met de EU.


Servië is weliswaar al ruim een decennium officieel EU-toetredingskandidaat, maar kiest in de huidige geopolitieke crisis onverbloemd voor het Kremlin waarmee Vučić – in weerwil van het Europese sanctiebeleid tegen Rusland – onlangs nieuwe energiecontracten sloot.


“Als je hem tegenspreekt reageert de president als een uitermate kleinzielige man”, zegt Arsenijević. Als Milošević’ jongste minister stond Vučić, bedenker van de oorlogspropaganda, al bekend om zijn directe aanvallen op kritische journalisten. “Dat doet hij nu nog altijd. Het is onvoorstelbaar hoeveel energie Vučić daarin stopt. Hij kruipt ’s avonds nog achter zijn laptop om op Facebook zijn critici uit te schelden.”



De Servische president Vučić en de Hongaarse premier Orbán

In de jaren negentig, nog tijdens de oorlog, was er onder schrijvers in Belgrado sprake van een dissident klimaat, met de oprichting van de Ex-Yu Pen, een nieuwe afdeling van de internationale PEN-schrijversvereniging, bedoeld voor schrijvers uit het desintegrerende Joegoslavië die zich afkeerden van de oorlogszuchtige nationalisten. In samenwerking met De Balie in Amsterdam zag Press Now het licht, een organisatie ter ondersteuning van onafhankelijke media in de Balkanlanden.


“En ook in de eerste naoorlogse jaren was er in Belgrado nog een tegencultuur met studentenprotesten en kritische nieuwszenders zoals B92”, zegt Arsenijević. “Maar onder Vučić is de meeste kritiek verstomd. Media staan nu bol van gif en haat. De overgebleven onafhankelijke journalisten worden geïntimideerd.”


Van die intimidatie hebben Servische schrijvers volgens Arsenijević op het eerste oog geen last. “Maar nu wordt het tricky. Ons Krokodil-festival heeft subsidie gekregen van de allertrouwste politieke soldaat van Vučić: minister van Cultuur Maja Gojković, ooit een van de felste oorlogshitsers.” De genocide in Srebrenica noemde Gojković ‘de bevrijding van het Servische Srebrenica’ die zij toejuichte. Ratko Mladić, de slager van de Balkan, had in haar ogen ‘een einde gemaakt aan de moslimterreur.’


Dat uitgerekend Gojković het Krokodil-festival, “haar vijand”, financieel steunt, is volgens Arsenijević politieke berekening. “Vučić wil minstens pretendéren dat er in Servië ruimte is voor kritiek. Zijn doel is een einde maken aan een politiek landschap met verschillende partijen, en in Servië één alomvattende nationale beweging leiden.”

In die Vučić-beweging is iedereen, ook Krokodil, zogenaamd welkom. “Zolang je maar accepteert dat Vučić en zijn politieke kliek het land besturen zoals alleen zíj dat willen.”


Doodbloeden


Vijfhonderd kilometer noordwaarts, in Boedapest, sleutelt de Hongaarse premier Orbán al veel langer aan een ‘beweging’: de Nemzeti Együttműködés Rendszere (NER), het Systeem van Nationale Samenwerking. Al sinds 2010 is Orbán aan de macht en bij de laatste verkiezingen, in april dit jaar, verstevigde zijn partij de tweederdemeerderheid in het parlement. Kleine oppositiepartijtjes zijn kansloos en de publieke omroep werd een staatsomroep; de invloed van een handvol onafhankelijke nieuwssites, volledig afhankelijk van donaties, is beperkt.


Orbán kan de komende jaren zijn NER verder uitbouwen in een de facto éénpartijstaat waarin NER de sociaal-economische en culturele koers van het land bepaalt.

Wie niet meedoet aan het ‘Systeem’, wordt gemarginaliseerd.


Hongaarse schrijvers, zoals Andrea Tompa, weten inmiddels ook wat dat betekent.

“De academie van schrijvers die op de hand zijn van Orbán wordt overladen met staatsgeld, de andere academie kan doodbloeden.” In bistro Központ, aan het eind van de metrolijn naar buitenwijk Újpest, nipt Tompa (1971) aan een glas water. Behalve als schrijver van romans – haar bekendste: A Hóhér Háza (Het huis van de beul) – is ze in Hongarije bekend vanwege haar felle theaterkritieken en haar werk als theaterdocent.


“Maar ik word steeds voorzichtiger met wat ik zeg. We leven in een wij versus zij-samenleving, en je weet maar nooit wie er in het publiek zit tijdens een voordracht.”

De botsing tussen de twee schrijversacademies – de ene pro- en de andere anti-Orbán – is volgens Tompa een pijnlijke illustratie van de verdeeldheid in haar land. Ze werd als beginnende schrijver lid van de Széchenyi Academie, de politiek onafhankelijke schrijversbond met grote namen als Péter Nádas, György Dragomán, László Krasznahorkai en de inmiddels overleden auteurs György Konrád, Péter Esterházy en Imre Kertész.


In het statuut van de andere academie, de MMA van de Orbánisten, staat als opdracht vermeld: ‘Het faciliteren en verdedigen van de tradities en waarden van de Hongaarse universele cultuur.’ “De MMA krijgt tonnen subsidie, de Széchenyi moet dood, het

is een corrupte manier van denken.” Tompa schetst een realiteit waarin de Orbán-regering zelfs haar best niet meer doet om de schijn van democratie op te houden.


In zijn roman Zonsverduistering schreef György Konrád over veel van zijn vrienden die Hongarije, toen nog communistisch, ontvluchtten. ‘Maar ik ben gebleven’, schreef Konrád. ‘Al wist ik dat de donkere stolp van werkelijkheid en nachtmerrie zich nog datzelfde jaar boven me zou sluiten. Je moet leren onder één dak te wonen met de beklemming, om te voorkomen dat die de baas in huis zou worden.’ In het huidige Hongarije is er volgens Tompa vooral een “exodus” op gang gekomen in de theaterwereld. “Regisseurs van mijn generatie hadden allang aan het roer moeten staan van de theaters. Maar ze krijgen die posities om politiek-ideologische redenen niet. Ze verlaten het land.”



De Hongaarse schrijfster Andrea Tompa

Voor haar als schrijver is het anders, zegt ze. “Ik leef van mijn taal en ik wil leven ín die taal. Daarnaast: ik heb een jonge schoolgaande zoon en ouders die hier mijn zorg nodig hebben. Maar na elke aanval op de kunsten – een theaterdirecteur die door de regering wordt weggepest, een benoeming van een Orbánist in de directie van de Filmschool – denk ik: de muren komen op ons af. Mijn geloof in het belang van mijn woorden is aan het afnemen.”


Ontsmetting


Onderweg, tussen Boedapest en Belgrado, bel ik met de Nederlandse schrijver-vertaler en slavist Guido Snel. In zijn pas verschenen boek Negen steden – Europa van Wenen naar Istanbul besteedt hij hoofdstukken aan Hongarije en Servië. Sommige schrijvers in die landen volgt hij al jaren op de voet.


De twee parallelle universa in Hongarije, die Tompa beschrijft, bestaan volgens Snel ook in de Servische kunsten. “En die twee werelden komen elkaar niet tegen. De nationalistische post-Milošević kliek zweert bij het theaterwerk van Ljubiša Ristić, wat mij betreft de Mephisto van Servië. Daartegenover staan entourages als Krokodil. Ieder opgesloten in zijn eigen bubbel.”


Slechts een eenling, zoals theaterschrijver Biljana Srbljanović, durft nog openlijk kritiek te uiten op het Servische ultranationalisme. “Toen er in Belgrado onlangs muurschilderingen verschenen die een ode brachten aan oorlogsmisdadiger Mladić, had Srbljanović het lef om het openlijk aan te klagen.” Festivals als Krokodil zijn weliswaar “evenementen waar iedereen het met elkaar eens is”, maar de intenties van de organisatoren zijn hoopgevend, vindt Snel. “Daar vindt tenminste interactie plaats tussen schrijvers uit alle voormalige Joegoslavische landen. De literaire bubbels, uit Belgrado, Sarajevo of Zagreb, zoeken elkaar tenminste over de grens op.”


’s Avonds, aan de rand van het Krokodil-podium in Belgrado, kijkt schrijver en festivaldirecteur Vladimir Arsenijević gespannen naar zijn laptopscherm. Hij volgt een strak scenario: binnen een minuut moet het hoofdlicht uit en het spotlicht aan voor de Servische dichter-rapper Marčelo. Met een enorm pathos, en op een overweldigend en stuwend ritme, brengt Marčelo vervolgens zijn publiek in extase. In een eerder opgenomen filmpje, geprojecteerd op de video wall achter hem, slaat Marčelo met een ijzeren staaf een televisietoestel aan gruzelementen.


Een dag later zit Arsenijević in de tuin van het Centrum voor Culturele Ontsmetting, ooit de verzetshaard tegen Milošević, nu een van de festivallocaties waar die dag schrijvers debatteren. Over ontsmetting gesproken: “Elke dag wordt de Serviër bestookt met haat”, zegt Arsenijević. “Haat op de televisie. Haat in de kranten. Misselijk word ik van de giftige tabloidshit. Het is moeilijk om in dit land een kiosk voorbij te lopen zonder besmet te worden.”


Krokodil is een ‘tegengif’maar dankzij de subsidies van de gehate cultuurminister op voorhand al doodgeknuffeld? Arsenijević kijkt me met geërgerde blik aan, alsof hij wil zeggen: ‘Jij hebt makkelijk lullen.’ “Maar je hebt gelijk: wij zijn als schrijvers niet meer belangrijk.”


Pure leugens


Een paar maanden na mijn laatste gesprek met Arsenijević ben ik terug in Boedapest.

Hier, aan de Donaukade, wandelde ik tien jaar geleden met de Hongaarse toneelschrijver András Forgách. Hij genoot toen enige faam in eigen land vanwege zijn kritiek op het cultuurbeleid van premier Orbán die in 2010 was begonnen aan zijn ‘illiberale’ politieke avontuur. Forgách vreesde voor “culturele zuiveringen”, en die vrees bleek terecht. Op hoge posten in culturele instellingen werden in hoog tempo Orbánisten geparachuteerd.


Inmiddels is Forgách ook een grote naam buiten Hongarije, dankzij het succes van zijn autobiografische roman over een moeder die haar zoon verraadt bij de geheime politie in communistisch Hongarije – in Nederland in 2018 verschenen in de vertaling De akte van mijn moeder. Het is een pijnlijk relaas over hoe Forgách decennia na zijn moeders dood de dossiers onder ogen krijgt waaruit blijkt dat zij jarenlang in detail aan de geheime politie rapporteerde over hem en over bevriende dissidente schrijvers die hem thuis in Boedapest bezochten.



De Hongaarse schrijver Andras Forgách

De avond voor we elkaar na al die tijd weer zullen spreken krabbel ik wat vragen in mijn notitieblokje. Waar zijn de grote Hongaarse romans die de verwording van de democratie tot een autocratie hekelen? De afgelopen ruim twaalf jaar onder Orbán waren er maar weinig schrijvers die het aandurfden.


György Spiró en Lajos Parti Nagy schreven beiden in een absurde, sprookjesachtige stijl over het huidige politieke klimaat. En dan was er de roman Hádujudú van István Dévényi die eruit sprong: het verhaal over een Hongaarse journalist die het een na het andere compromis met de macht sluit en uiteindelijk in de politieke machinaties in zijn land ten onder gaat. Waarom deze magere oogst? Is het voorzichtigheid? Lafheid?

En: hoe verhoudt je je als schrijver tot de huidige culturele staatsinstellingen, zeker als die besluiten om jou een literaire prijs toe te kennen?


Een hachelijke situatie waar je je maar beter goed op voorbereidt, vertelde schrijver Andrea Tompa me eerder. Zij kwam in 2016 in een “verschrikkelijk scenario” terecht toen ze besloot om een staatsprijs voor haar roman Van Kop tot Teen in ontvangst te nemen. “Het was veel geld, van deze verschrikkelijke regering, wat moest ik doen?” Tompa besloot uiteindelijk de prijs te accepteren en bij de uitreiking als statement aan te kondigen dat ze het prijzengeld zou schenken aan een goed doel.


Maar in het verslag op de staatstelevisie was Tompa’s statement weggeknipt. Het beeld dat bleef hangen bij Hongaarse televisiekijkers was dat van schrijver Tompa die gulzig het prijzengeld in ontvangst nam, maar te arrogant was om de verslaggevers nog even te woord te staan. Tompa: “Op basis van pure leugens kwam er een haatcampagne tegen mij en mijn werk op gang.”


Culturele oorlog


András Forgách is nauwelijks verbaasd als ik hem vertel over de ervaringen van zijn collega Tompa. “Het bewijst eens te meer: weiger elke prijs of onderscheiding die je in dit land wordt aangeboden, verbreek de telefoonverbinding, draai je om, loop weg!”


Volgens hem voert Orbán een “culturele oorlog” die hij weloverwogen heeft voorbereid. De oprichting van de pro-Orbán schrijversacademie, tegenover de bestaande Széchenyi Academie, is slechts één voorbeeld van wat Forgách “de strategie van uitroken” noemt.

“De Orbánisten eigenen zich de cultuur toe door hun eigen instellingen in het leven te roepen. Daar gaat het geld naar toe. Culturele instellingen van de oppositie worden dus niet opzichtig geëlimineerd, maar worden allereerst geïsoleerd en sterven dan een langzame dood.”


Een voorbeeld van de “geraffineerde” tactiek van toeëigening is volgens Forgách de oprichting van het Imre Kertész-instituut, gewijd aan de Hongaars-joodse schrijver en Nobelprijswinnaar. Kertész, zelf een Auschwitz-slachtoffer die zich altijd kritisch uitte over nationalistische populisten van het kaliber Orbán, verraste in de laatste jaren van zijn leven vriend en vijand door een staatsprijs van diezelfde Orbán te accepteren.

“En toen kwam er ook nog dat Kertész-instituut waarin Orbán enorm veel staatsgeld heeft gepompt. De boodschap die hij wil afgeven is: kijk, deze Kertész is niet meer van jullie, die is nu van ons’.”


Dat er weinig romans verschijnen die schoppen tegen de Orbánisten, heeft volgens Forgách niets te maken met lafheid. “Het fileren van de politiek en het onderzoeken van de macht is allereerst de taak van de journalistiek. Een romanschrijver moet je de tijd gunnen. En kritische boodschappen zitten vaak verwerkt in absurde, sprookjesachtige vertellingen. Die traditie is diep geworteld in de Hongaarse literatuur.” Politiek geëngageerde literatuur voor de fijnproever? “Ja, en literatuur voor een minibubbel. Ons steeds kleiner wordende wereldje wordt voorlopig nog gedoogd.”


Forgách, inmiddels zeventig jaar, heeft een zoon van vijf. Hongarije verlaten, waar hij in het verleden vaak over dacht, is daarom geen optie meer, zegt hij resoluut. “Ik vergelijk mijn relatie met mijn land met het samenleven met een doodzieke geliefde. Je staat aan het sterfbed, en telkens denk je: een nieuwe verslechtering van de patiënt kan ik niet langer onder ogen zien. Maar je staat ervan versteld hoeveel je kennelijk toch kunt verdragen.”


Beluister hier mijn radioreportage over de schrijvers in Belgrado en Boedapest voor VPRO’s Bureau Buitenland

162 weergaven0 opmerkingen
bottom of page