• Tinne Horemans

Pristina, liefde in tijden van oorlog

''Mijn vader overleed twee maanden na onze bruiloft. (...) Tot mijn opluchting is Ajshe precies zoals mij was beloofd. Ze is geduldig en begripvol, de ruimhartigste vrouw die ik ken. Ze luistert en bemoedigt en heeft mij noch mijn ouders ooit tegengesproken, en toen ik haar vertelde dat ik op een dag een boek wilde schrijven dat in het verleden speelt, een verhaal over de oorlog, wellicht over de vernedering die de Albanezen eeuwenlang hebben moeten ondergaan, de adembenemendste liefdesgeschiedenis ooit geschreven, zei ze: 'Wat voor mensen moeten boeken schrijven als mannen als jij dat niet doen? Zeg het maar als ik iets voor je kan betekenen, als ik je ergens mee kan helpen.' (Pristina 1995)


(...) Dan sla ik haar, voor het eerst van mijn leven; met de rug van mijn hand op haar gezicht, zo hard als mijn hand het toelaat. Door de kracht van mijn klapt zwiept haar hoofd heen en weer als een boksbal en ze stoot een klaaglijk gejank uit, en wanneer ze zich vervolgens met gesloten ogen bij me verontschuldigt, leer ik dat geweld altijd uitnodigt tot meer geweld. We slapen die nacht in verschillende kamers. Wanneer ik ga liggen vraag ik me af of dit mogelijk de beste of de slechtste dag van ons leven is.(Pristina 1995)


(...) Het grappigste is nog dat mensen na afloop van dit soort gesprekken god ervoor bedanken dat de oorlog voorbij is. Ik kan niet begrijpen hoe en waarom mensen die elkaar bedriegen, die door nietsdoen en armoede zijn geveld, ertoe komen te geloven dat er hoop is, dat het gepast is over morgen te praten hoewel het leven in werkelijkheid gisteren heeft plaatsgevonden, dat alles op een dag een wending ten goede zal nemen, dat alles goed zal komen, want god is groot, zo zeggen ze, god is groot, god is goed. (Pristina 2004)


(...) Het is moeilijk om niet over dit soort dingen na te denken, want alles is hier doordrenkt van wanhoop. Het is die magere man daar, gekleed in pak zittend op de hoek van de straat, misschien wel voor zijn eigen winkel, de oude vrouw die met een witbrood onder de arm de straat oversteekt, het zijn de hongerige kinderen en kleinkinderen met wie ze dat brood straks deelt, al die bedelende en sigaretten verkopende jongens bij de ingang van de restaurants, de besmeurde handen die over de tafels reiken, de echtgenotes die juwelierszaken binnenglippen om hun sieraden te verpanden.

Met het verstrijken van de dagen komt het me steeds onwaarschijnlijker voor dat ik hem zal vinden, en steeds waarschijnlijker dat ik op een dag niet meer zal opstaan uit mijn bed. Dat zou het dan zijn. Het einde van het leven, bevrijd van dat wat is gezegd en dat wat is verzwegen.'' (Pristina 2004)


Fragmenten uit Bolla van de Finse schrijver Pajtim Statovic (2021), uit het Fins vertaald door Annemarie Raas. In 1990 werd Statovic in Kosovo geboren. In 1992 brak de Joegoslavische oorlog uit. In Kosovo, dat deel uitmaakte van Joegoslavië, werden Albanees-Kosovaren vervolgd. In 1992 vluchtte het gezin Statovic naar Finland.




24 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven