• Tinne Horemans

Kertész' sombere kijk op het Hongarije van de jaren '90

"Wat is er eigenlijk veranderd door de ‘Grote Verandering" [val IJzeren Gordijn]? Ben ik niet meer van anderen afhankelijk? Ben ik van mezelf verlost? Ik heb alleen de conditio minima, mijn persoonlijke vrijheid, teruggekregen – de deur van de cel waarin ik veertig jaar lang gevangen heb gezeten is, zij het knarsend, opengegaan (…).


Gisteren heb ik de dolende ridders van onze moderne tijd gezien, ’s nachts. Ik zat met Albina in de auto van familie Z., met wie we naar Miskolc waren geweest. Bij de oprit van de Arpádbrug, in Pest, waar de onbeweeglijke stofwolken in de blauwige, spookachtige straatverlichting tot een ondoordringbare mist werden, moesten we voor een stoplicht wachten. De atmosfeer was drukkend en de straat lag er als een verlaten steenwoestijn bij. Opeens doemde uit de voetgangerstunnel een merkwaardige horde op: acht à tien zich onbeholpen bewegende gedaanten met kaalgeschoren schedels, gekleed in camouflagepakken. Een van deze Nibelungen had een lange knuppel in zijn hand (misschien wel de beroemde honkbalknuppel). Ze sjokten zwijgend achter elkaar aan door het onwezenlijke, nevelachtige licht, een droevig maar tegelijk bloeddorstig troepje jongeren dat – met bloeddoorlopen ogen op jacht was naar mensenvlees. In die camouflagepakken zagen ze eruit als gevlekte hyena’s; hyena’s die met lome, maar niet-aflatende haat naar een slachtoffer speurden – zonder gulzigheid, eerder uit verveling, uit gewoonte, uit aangeboren haat jegens hun medemensen. Ik moet toegeven dat ik met ijzige ontzetting wachtte op het moment dat het licht op groen zou springen, zodat wij konden doorrijden en de mensenjagers niet de gelegenheid hadden om een blik in de auto te werpen en mijn noodlottige, onuitwisbare merkteken te ontdekken. Die vreemde menselijke wezens belichaamden op dat moment voor mij de hel op aarde, het ‘woeste land’ waar niet meer wordt gesproken maar alleen gemoord en waar geplunderde lijken aan de stoeprand worden achtergelaten. Het was alsof op dat moment alleen nog de ijzeren wet van de natuur gold, een wet die geen schepping of geboorte kent. Onwillekeurig kwam de gedachte bij me op dat er een verschrikkelijke fout in de berekening was geslopen, maar welke had ik nauwelijks kunnen zeggen. De dood? Of alleen de angst voor de dood?


Zo aanschouw en beleef ik het angstaanjagende verval van dit land [Hongarije], dat in moorddadige paranoia verzinkt! Zo raak ik ervan vervreemd! De kampioenen van de haat en mijn eigen herinneringen maken me steeds onverschilliger, zodat ik geleidelijk alle banden slaak. De taal? Ja, dat is het enige wat me nog bindt. Hoe vreemd eigenlijk. Die vreemde taal is… mijn moedertaal. Ik kan me in mijn moedertaal met mijn moordenaars verstaan.

(…)

Een kleine natie die al heel lang geleden buiten het proces van de zogenaamde wereldgeschiedenis is geraakt en er bovendien op geen enkele wijze in slaagt haar ware, passende rol in de ruimte en de tijd te vinden (en misschien is die ook wel niet te vinden), zo’n natie kan zich als natie uitsluitend krankzinnig gedragen. Als die natie niet wil inzien dat de vernielde privélevens en het mislukte verleden aan haar zelf te wijten zijn, als ze er de voorkeur aan geeft dit alles als een door boosaardige, vreemde krachten veroorzaakt ongeluk, ja als een nationale vloek, lotsbestemming of zelfs het noodlot te zien, dan heeft ze vanzelfsprekend behoefte aan antisemitisme.


De aan een vadercomplex lijdende, sadomasochistische, perverse Oost-Europese ziel, die misvormd is door het besef tot een kleine natie te behoren, kan kennelijk niet zonder een grote onderdrukker op wie ze haar historische misère kan afschuiven. Ook heeft ze een zondebok nodig om haar door dagelijkse fiasco’s voortgebrachte agressie op af te reageren, waarvoor ze de minderheden gebruikt.


(…) Als een gemeenschap niet in staat is zich bij de wereldcultuur aan te sluiten, staart ze vol onbegrip in het ravijn dat zich voor haar voeten opent, zonder te beseffen dat dit ravijn haar dreigt te verslinden.”


Fragmenten uit Ik, de ander van de Hongaarse schrijver Imre Kertész (2001 Amsterdam), vertaald door Henry Kammer: p. 27-28; p. 64; p. 76


'Ik ben medium van de geest van Auschwitz,' zei Imre Kertész (1929 – 2016) een paar jaar voordat hij in 2002 de Nobelprijs kreeg (‘voor literatuur die de breekbare ervaring van het individu verdedigt tegen de barbaarse willekeur van de geschiedenis’). De geassimileerde jood Kertész, die op vijftienjarige leeftijd van straat geplukt werd, overleefde Auschwitz en zou daar de rest van zijn leven over schrijven – aanvankelijk zonder dat zijn Hongaarse landgenoten daar veel acht op sloegen. Bron: Gids voor de wereldliteratuur, Pieter Steinz (2006 Amsterdam)


"'Internationaal word ik overladen met prijzen, maar hier in Hongarije maak ik geen deel uit van de literaire wereld. Dat is omdat ik het spelletje nooit heb willen meespelen. De spelregels zijn hier sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog eigenlijk nooit veranderd. Die bepalen dat je Hongarije moet zien als een slachtoffer van de geschiedenis dat geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor zijn eigen daden'. Kertész heeft het over het nog levende Hongaarse trauma van de Eerste Wereldoorlog toen Hongarije aan de 'verkeerde kant' vocht. Bij wijze van straf kreeg het land bij het verdrag van Trianon door de grootmachten nieuwe grenzen opgelegd waarbij twee derde van het oude Hongarije verloren ging. De slachtofferrol diende als excuus voor alles wat daarna gebeurd is, meent de schrijver. 'Daaruit is natuurlijk een leugen ontstaan, een grote leugen die weer tot gevolg heeft gehad dat het eigen historische verleden niet verwerkt is.'" NRC Handelsblad (1999)


Tijn interviewde Imre Kertész voor de Volkskrant in 2002 'Niets geleerd van de Holocaust'



Imre Kertész

15 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven