• Tinne Horemans

Joszi wil nette schoenen. Ritselen & ruilen op het Hongaarse platteland

“Schoenen?”


“Ja, schoenen. Nétte schoenen, voor een feest. Hij zei: jij bent een vrouw, je hebt er vast meer verstand van dan ik.”


Tijn en ik zitten met onze Hongaarse vriendin Beáta in jazzcafé Jedermann, Boedapest. De blonde en altijd lachende Hongaarse studeerde Nederlands in Boedapest en werkte na haar studie jarenlang voor Nederlandse bedrijven. Intussen spreekt ze de taal vloeiend. Met haar man woont ze op een appartement in de stad en het weekend brengt ze, net als zo vele andere ‘Boedapesters’, door in een buitenhuis op het Hongaarse platteland.


“We hebben geen gas in dat huis. We doen er alles met hout.”

Omdat de prijs van hout blijft stijgen, besloot Beáta alvast een voorraad in te kopen voor de komende winter. Het hout werd geleverd. In haar afwezigheid.


Beáta toont een foto op haar telefoon. “Moet je dít zien. Toen ik dat hout zag liggen in de tuin voor het huis, die enorme hoop, ben ik naar de keuken gerend. Het was zó veel. Wie moest dit allemaal in mootjes hakken? Daarna naar het houten afdak slepen, aan de andere kant van de tuin, om het daar weer netjes op elkaar te stapelen? Dat leek me een klus die wéken kon duren. Mijn man en ik werken tijdens de week in Boedapest, en over een paar dagen zou het weer gaan regenen. Ik was de wanhoop nabij. Ik huilde.

Toen heb ik oompje Joszi gebeld.”


Hongaren spreken iemand al snel aan met het familiaire ‘oompje’ (bácsi) of ‘tante’, zonder dat het familie hoeft te zijn.


Joszi zei "ach meissie, maak je toch geen zorgen, dit regelen we in een dag of drie." Twee dagen later was de klus geklaard. Joszi hakte het hout in mooie mootjes, gooide de houtblokken op een kar, die hij, voortgetrokken door paarden, aan de andere kant van de tuin weer uitlaadde.

Al het hout ligt nu netjes opgestapeld, beschut tegen weer en wind. Toen Beáta het bedrag vroeg dat Joszi voor de zware twee-dagen-klus aanrekende, schudde hij het hoofd. “Joszi, weet je ‘t zéker? Neem nou ten minste dit aan.” Maar op het aangereikte bedrag, schudde Joszi een tweede keer het hoofd.


Een week later – had hij even kunnen nadenken? - stond Joszi weer voor haar deur. Hij wilde schoenen. “Tja. Ik schrok wel even. Schoénen voor een ander kopen, dat doe je niet zomaar. Goed. Ik ben naar de stad gereden en heb die ‘nette’ mannenschoenen voor ‘m gekocht – maat 42. En hij glunderde toen hij ze aantrok. Zo blij was-ie.”


Wellicht vond Joszi het ook fijn op deze manier een ritje naar de stad - voor de aankoop van nieuwe schoenen - uit te sparen. Want ook de prijs van benzine is gestegen.

“Soms geven we de vrouwen van het dorp – nog vaak zonder rijbewijs – een lift naar de stad, waar ze spullen kopen die ze in het dorp niet kunnen vinden. Daar doen we die vrouwen zo’n plezier mee. Op die manier kunnen mijn man en ik tenminste iéts voor onze dorpsgenoten betekenen. Ik voel me soms zo waardeloos daar. Werkelijk wáárdeloos. Want wat kan ík nu eigenlijk? Zelfs een taart bakken lukt me nauwelijks.”


Een paar weken na Joszi’s bezoek, had Beáta úren in de keuken gestaan - met om het half uur een wanhopige blik in de oven. Deze keer had ze zwarte grond willen kopen, nodig voor haar moestuin, een tuin die ze – niet meteen het correcte Nederlandse woord vindend, erg inventief - 'vegetarisch' noemt.


Deze keer had ze Zsolt uit het dorp gebeld. Ook hij wilde geen geld voor de grond. En geen nette schoenen. Zsolt wilde ‘koekjes’.

“Zal ik een lekkere taart voor je bakken?” had Beáta toen gevraagd.


“Hoe lang heb je nu over die taart gedaan?”


Beáta zucht. “Schei uit. Een héél weekend. Eén dag boodschappen. Eén dag bakken. Ik had Zsolt liever gewoon 100 euro gegeven voor die zwarte grond. Dan had ik dat weekend nog wat anders kunnen doen.”


Beáta glimlacht. “Maar er zit niets anders op, je moet je aanpassen...”

132 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven