• Tinne Horemans

Drie Elegieën voor Kosovo

De derde elegie The Royal Prayer vormt het relaas van sultan Murad I, terwijl hij dood in zijn graf ligt op het Mereldveld na de Slag om Kosovo. Deze slag vond plaats in 1389 tussen een leger geleid door de Servische prins Lazar en een binnenvallend leger van het Ottomaanse rijk onder leiding van sultan Murad. Na enkele dagen werd de slag gewonnen door de Ottomanen. Deze slag zou nog vaak gebruikt worden om het Albanese en Servische nationalisme te promoten, met name door door Slobodan Milosevic en Ramush Haradinaj.


In onderstaand fragment vervloekt sultan Murad de Balkan omdat hij gedwongen wordt hier in eeuwigheid te rusten. Met het verstrijken van de tijd merkt hij verzuchtend op dat de Serviërs en de Albanezen, in plaats van samen te werken en iets op te bouwen, nog altijd oorlog voeren om Kosovo.


"The Balkan peoples were out to slaughter each other on the Plains of Kosovo. This time Serbs and Albanians had hoisted their emblems: the Albanians the Catholic cross, the Serbs the Orthodox. 'Butcher each other, you Balkan savages!' I muttered, renewing my curse on them. But even without my curse they were determined to trample one another into the ground. They had set out on this course of destruction six hundred, seven hundred years before my campains. They had reached a temporary truce in these flatlands, only to resume their terrible slaughter even more viciously than before. I must say I felt great joy at hearing them taunt each other. But soon enough my joy began to fade. Their fury was so protracted that even I, an outsider, grew weary. Many years passed this way. Seventy, then a hundred and seventy. The oil lamp with its dim flame burned and burned in my tomb. New Sultans with ancient, ever-recurring names appeared - Mehmet, Murad, Suleyman, Ahmet, Murad, Mehmet - only to fall, one after the other, into oblivion. They had managed to breing half of Europe to its knees, but now, weary, they began to fall back. The Christian Cross turned out to be more powerful than it had seemed. Our Crescent withdrew from Vienna, the Hungarian flatlands, sombre Poland, Ukraine, Crimea, and finally the Balkan lands, which I believe we had loved the most. Perhaps we picked up the Balkan people's madness and they picked up our sluggishness. In the end we parted forever, each to our own destiny. I remained more solitary than ever, with the pale flame of the oil lamp above me, a sorrowful crown. And the Balkans, instead of trying to build something together, attacked each other again like beasts freed from their iron chains. Their songs were as wild as their weapons. And the prophecies and proclamations were terrible. 'For seven hundred years I shall burn your towers! You dogs! For seven hundred years I shall cut you down!' the minstrels sang. And what they declared in their songs was inevitably done, and what was done was then added to their songs, as poison is added to poison."




Fragment uit de derde elegie van Three Elegies For Kosovo van de Albanese dichter en schrijver van wereldfaam Ismail Kadare. Decennia lang had hij een moeizame relatie met het repressieve regime van de communistische leider Enver Hoxha (1944-1985), en emigreerde net vóór het ophalen van het Ijzeren Gordijn naar Parijs. Hoewel hij verschillende keren in botsing kwam met de censuur, werd hij door de communisten gedoogd als cultureel visitekaartje. In zijn (historische) romans concentreert Kadare zich vooral op de Albanese identiteit en de rol daarin van het glorieuze én traumatische verleden: van de Illyrische cultuur en de Ottomaanse bezetting tot de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. (Bron: Gids voor wereldliteratuur, Pieter Steinz)




9 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven